Toespraak Hugo de Jonge bij Symposium ZLTO, “De mens achter de boer”

Goedemiddag allemaal,

De mens achter de boer. Een prachtig thema, en ook een onderbelicht thema. Het thema geeft aan dat er blijkbaar niet altijd oog voor de mens achter de boer is geweest. Zeker in het beleid van de afgelopen jaren is de mens achter de boer vaak ver weg is geweest. Ik denk dat dat te maken heeft met de grote afstand die is ontstaan tussen het boerenbedrijf en de rest van de samenleving. Het overgrote deel van Nederland heeft moeite om te vertellen waar zijn eten vandaan komt. Maar de analyse waarom de mens achter de boer uit zicht is geraakt komt straks.

Laat ik beginnen met iets over mezelf te vertellen. De mens achter de Commissaris, zal ik maar zeggen. Ik ben geboren op Bruinisse op Schouwen-Duiveland. Toen ik twee was verhuisde ik naar Alphen aan den Rijn. Maar van mijn zevende tot mijn vijftiende heb ik weer in Zeeland gewoond. Op Zaamslag. Als kind in een domineesgezin hoort verhuizen er nu eenmaal bij.

Op Zaamslag heb ik leren werken. Bij de boer, zoals alle jongens op Zaamslag. Mijn broer Marien werkte bij de boer en dat wilde ik ook. De eerste boer waar we gingen werken was boer Dieleman van de Punthoeve aan de Axelsestraat. Het toeval wil dat mijn overgrootvader Ko de Jonge boerenknecht was op die boerderij. Tweede boerenknecht. Geen eerste, want hij was bang voor paarden. Maar, hij had grote handen dus hij was goed in het maaien van graan en het op schoven zetten van vlas. Hij was getrouwd met Jacomina Herrebout. Ze woonden in de Axelsestraat. Ongeveer sinds Noach woont het voorgeslacht van mijn vaders vader op Zeeuws-Vlaanderen en sinds mensenheugenis op Zaamslag. Tot 11 generaties terug is het gelukt de stamboom uit te pluizen. Halverwege de 17e eeuw verhuisde ene Pieter de Jonge vanuit Hoek naar Zaamslag.

Geboren en getogen Zeeuw dus. Opgegroeid op een dorp waar het boerenbedrijf nog heel dichtbij is. Zaamslag is een van de vele dorpen in Zeeland en Brabant waar tot 100 jaar geleden iedereen leefde van de landbouw. Waar heel het dorp op de een of andere manier wel betrokken was bij het boerenbedrijf. Dat is inmiddels anders.

De wereld is sinds de tijd van mijn overgrootvader Ko gigantisch veranderd. Die veranderende wereld heeft zijn weerslag gehad op het boerenbedrijf. Het boerenbedrijf is ongelooflijk geprofessionaliseerd. Daar waar voorheen bijna heel de dorpsgemeenschap in het boerenbedrijf werkte, is nu maar een zeer beperkt deel van de bevolking betrokken bij het boerenbedrijf en het overgrote deel niet. Daar waar je voorheen overdag zelf uit de grond trok wat je ’s avonds op je bord had liggen, is daar nu veel meer afstand gekomen tussen het boerenbedrijf en de samenleving, door onwaarschijnlijk lange voedselketens. Daar waar voorheen de beleidsmaker zelf nog de connectie had met het boerenbedrijf, zie je dat ook aan de beleidstafels de afstand tot het boerenbedrijf heel erg groot is geworden.

Die afstand biedt ruimte voor allerlei misverstanden en gemakkelijke praatjes. Die afstand verklaart ook dat de menselijke kant van het boerenbedrijf eigenlijk onvoldoende onderdeel is geweest van de beleidsvorming van de afgelopen jaren. Die afstand verklaart misschien ook wel voor een deel de spanningen die er zijn tussen het boerenbedrijf en de beleidstafels. Die afstand biedt namelijk ruimte voor een technocratisering van het beleid, waarbij we steeds afhankelijker worden van experts en data om tot goede besluiten te komen in plaats van democratische processen met alle . En daar moeten we ons tegen keren.

Je kunt natuurlijk naar het boerenbedrijf kijken als een willekeurige economische onderneming. Als een economische onderneming niet meer rendabel is, dan gaat ie failliet. Dat zijn de harde wetten van de economie. En dan begint de ondernemer een ander bedrijf. Dan vindt hij of zij een andere baan. Zo zou het bij iedere andere onderneming gaan. Maar dat datzelfde boerenbedrijf al sinds 1700 van vader op zoon wordt overgedragen en dat als je daarmee stopt, er een hele familiegeschiedenis stopt, daar hebben de wetten van de economie geen oog voor. En dat datzelfde boerenbedrijf ook het landschap onderhoudt waar de wielrenners doorheen fietsen, waar de mensen graag gaan wandelen, dat misken je allemaal als je het boerenbedrijf slechts ziet als een economische onderneming als alle andere.

Het meest tekenende voorbeeld van de fout die aan de beleidstafels is gemaakt is, denk ik, het onderbrengen van Landbouw als zomaar een van de economische activiteiten op het departement van Economische Zaken, Landbouw en . Het is de totempaal van de miskenning van het boerenbedrijf geweest. En misschien ook wel een bron van de protesten een paar jaar later en de aanjager van de ervaren afstand tussen het boerenbedrijf en de beleidstafels. Ik geloof echt dat het stoppen van het departement van LNV – later wel weer opgericht, maar toen was de schade al aangericht, toen hadden we al honderden mensen ontslagen met een geweldige kennis van zaken, ook vanuit de eigen beleidspraktijk – ik geloof dat daar een belangrijke achtergrond ligt voor de spanning tussen de beleidstafels en het boerenbedrijf. Je hebt van het boerenbedrijf heel weinig begrepen als je zegt dat het zomaar één van de economische sectoren is.

Dus wat we moeten doen, is de afstand weer kleiner maken tussen het boerenbedrijf en de beleidsmaker, de afstand verkleinen tussen het boerenbedrijf en de samenleving. Daar zijn denk ik heel veel mogelijkheden toe, juist in deze tijd. Ik beschrijf die mogelijkheden tot het verkleinen van de afstand aan de hand van drie lijnen: de boer als drager van onze voedselvoorziening, de boer als drager van ons landschap en de boer als drager van onze cultuur.

De eerste, de boer als drager van onze voedselzekerheid. Ik gaf aan het begin al aan dat de meeste Nederlanders niet meer weten waar hun eten vandaan komt. Mensen hebben gewoon geen feeling meer met het boerenleven. De onwaarschijnlijk lange voedselketens dragen hieraan bij. Eten wordt over heel de wereld gesleept en alles is in alle seizoenen verkrijgbaar. Maar juist dat creëert zoveel afstand tussen boer en samenleving. Om de afstand te verkleinen zouden we daarom moeten willen dat onze ketens korter worden. Dat we inzetten op lokale productie en dat dicht bij mensen brengen. Want hoe beter je als consument snapt waar je eten vandaan komt, en hoe dichter dat uit de buurt is, hoe beter je ook begrijpt hoe belangrijk boeren voor een samenleving zijn en wat boeren nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen.

Van het verkleinen van de ketens zijn veel inspirerende voorbeelden. Die voorbeelden kunnen ons de weg wijzen hoe we het zouden moeten doen. Ik geloof dat je nu juist ziet, niet zonder vallen of opstaan, dat de beweging richting kortere ketens en buy local, trends zijn die ook in Zeeland en Brabant meer dan een niche zijn. ‘Zeker Zeeuws’ is een branding voor Zeeuwse producten die door heel veel mensen juist daarom als van waarde worden gezien.

Van kortere ketens zien we ook in het buitenland mooie voorbeelden. In de zomer ga ik graag met mijn gezin op vakantie naar Italië. En wat me daar in de supermarkt opvalt is dat als je kijkt in het schap van vlees, kaas en wijn, daar grosso modo alles uit de buurt komt. Niet in de lokale ecosupermarkten, maar in de grote ketens. De Conad bijvoorbeeld. Dat is een waanzinnig grote keten. Maar hun supermarkten hebben lokale schappen. En die producten vinden daar gretig aftrek. Dat is een fantastische beweging die de afstand tussen boer en samenleving verkleint. Kennelijk doen zij iets wat wij hier in Nederland nog te weinig hebben. Wat er denk ik voor nodig is dat we weer de waarde herontdekken van de coöperatieve benadering, waardoor je je ook als sterk kunt profileren richting de supermarktketens, waardoor je meer marktmacht opbouwt als regionaal productschap.

De tweede lijn waarlangs we de afstand tussen boer en samenleving, tussen boer en beleid kunnen verkleinen is door naar de boer te kijken als drager van ons landschap. Als je kijkt naar het Zeeuwse en Brabantse land, het typisch Nederlandse landschap waar mensen hun regio aan herkennen, dan is dat een landschap dat gevormd is door het boerenbedrijf. Het zou dus ook een serieuze reden tot zorg zijn als te veel boeren zouden besluiten ermee te stoppen. Want wie gaat dan dat landschap onderhouden?

Die vraag is meteen ook een kans om de afstand tussen boer en samenleving te verkleinen. De vraag biedt de kans om daadwerkelijk de stap te maken naar agrarisch landschapsbeheer. Waarbij we boeren een langjarige opdracht geven om dat landschap te beheren. Dat is goed voor de inkomsten van de boer, maar ook voor eenieder die van dat landschap geniet en dat landschap wil bewaren.

Ik merk het aan de beleidstafels de afgelopen jaren: agrarisch is een thema dat steeds vaker terugkomt. Natuurlijk moeten we daar meer werk van maken. We zouden het moeten institutionaliseren als een verdienste die boeren kunnen krijgen. Stel dat wij als provincie aan natuurbeheer zouden moeten doen, moeten we boven een bepaald bedrag aanbesteden, krijg je dat soort ingewikkelde dingen. Dus er is nog een weg te gaan om dat praktisch te maken. Maar ik geloof dat op dit terrein ook echt een herontdekking heeft plaatsgevonden: waarom doen we natuurbeheer niet samen met boeren? Het is voor boeren een belangrijke bron van inkomsten. En wie zou het anders moeten doen? Wij kunnen het niet, als beleidsmakers. Landschapsbeheer is daarom een manier om de kloof te overbruggen tussen de samenleving en het boerenbedrijf.

En dan de derde en laatste lijn waarlangs we de afstand tussen boer en samenleving kunnen verkleinen: de boer als drager van onze cultuur. Een samenleving bestaat uit gemeenschappen. Dat zie je zeker in Brabant en Zeeland heel sterk. Boeren zijn binnen die gemeenschap heel bepalend. Ook mensen die geen boer zijn voelen zich binnen die gemeenschap heel betrokken op boeren. Dat heb ik zelf ook erg gevoeld op Zaamslag. De boer, de dokter, de dominee, het zijn allemaal bepalende figuren binnen een gemeenschap.

Een deel van wat er mis is gegaan in de afgelopen jaren is dat men in het beleid een zekere miskenning voor de rol van de boer als drager van de gemeenschap heeft gevoeld. We hebben boeren zo bedolven onder de Excel-sheets, dat we niet meer het normale gesprek hebben gevoerd over op welke manier boeren zouden kunnen bijdragen aan de uitdagingen waar we voor staan. Ik denk dat met het verkleinen van de afstand tussen boer en samenleving, de boer ook weer prominenter de rol van drager van de cultuur op zich kan nemen.

De tekenen dat de boer als drager van de cultuur wordt gezien zagen we bij de laatste verkiezingen. Het is niet voor niets dat bij de laatste Tweede en Eerste Kamer verkiezing, die partij die de boerenstem tot de hare wist te maken, ongelooflijk goed heeft gescoord. Dat is een signaal dat is afgegeven. En overigens door veel meer mensen dan alleen maar agrarisch ondernemers, want anders hadden die partijen nooit zo groot kunnen worden. Dat is het bewijs dat boeren niet alleen staan in hun verdriet over de afstand tussen regeringsbeleid en boer. We hadden het nodig, dat wakker worden. Maar nu zitten we in een andere fase. Nu is het zaak dat we de boer niet langer als van beleid zien, niet als een geïsoleerde partij die voor zichzelf moet opkomen, maar als volwaardig eigenaar van de weg naar voren. Waarbij we de weg naar voren zien als een collectieve opgave. Dat besef is inmiddels bij alle politieke partijen ingedaald. Het kan niet anders dat daardoor de rol van de boer als drager van de cultuur weer meer centraal komt te staan.

Ik ga afronden. Ik woon sinds kort in West Zeeuws-Vlaanderen, in de gemeente Sluis.  Het viel mij weer op hoe ongelooflijk die gemeenschap wordt bepaald door de boerencultuur. Het hele leven in gemeente Sluis is een boerengemeenschap. Ik was dat een beetje vergeten door mijn leven in de Randstad. Ook het hele landschap wordt gedicteerd door hoe boeren de natuur onderhouden. Dat wist ik wel, vanuit mijn jeugd, maar nu ervaar ik het weer zo. Het sterkt mij in mijn gedachte dat op al deze sporen, de boer als drager van onze voedselzekerheid, de boer als drager van ons landschapsbeheer en de boer als drager van onze cultuur, wij een begin zien van een awakening. Noem mij een stoïcijns optimist, maar ik denk dat stoïcijns optimisme ook precies is wat we nodig hebben in deze tijd. Door kortere voedselketens, door boeren onderdeel te maken van natuurbeheer, door de boer als een belangrijk cultuurdrager binnen onze gemeenschappen te erkennen, kunnen we de afstand tussen boer en samenleving, tussen boer en beleid verkleinen. En op die manier meer oog krijgen voor de mens achter de boer. Dank u wel.