In Zeeland heeft 77 procent van het droge oppervlak de bestemming landbouw. Zoet water in de bovenste laag van de bodem is daarvoor van groot belang. Zonder maatregelen kunnen in de toekomst gedurende de zomer tekorten ontstaan. De Provincie is actief betrokken bij het verbeteren van de zoetwatersituatie.

Nieuwe kennis

Het grootste deel van Zeeland is voor zoet water afhankelijk van neerslag. Allerlei innovatieve maatregelen om het regenwater beter te benutten en zo een zoetwatertekort tegen te gaan, worden getest op hun doelmatigheid. Denk bijvoorbeeld aan opslag in de ondergrond, het ontzilten van brak water, maar ook aan manieren om het watergebruik te beperken, bijvoorbeeld door druppelirrigatie of de teelt van zouttolerante gewassen. De Provincie draagt bij aan de ontwikkeling van deze nieuwe kennis.

Rivierwater

Een deel van Zeeland krijgt zoet water aangevoerd vanuit de grote rivieren, namelijk Tholen, Sint Philipsland en de Reigersbergsche polder in het oosten van Zuid-Beveland. Voor dit gebied is van belang hoe het rivierwater wordt verdeeld in tijden van gering aanbod. Afspraken hierover zullen worden vastgelegd in het traject Waterbeschikbaarheid dat onderdeel is van de Deltabeslissing Zoetwater. Dit is primair een beslissing van het Rijk, maar de regionale uitwerking wordt geregisseerd door de provincies.

Verzilting

Klimaatverandering heeft effect op de zoetwatersituatie. In laaggelegen kustgebieden zoals Zeeland is verzilting potentieel een groter probleem dan droogte. De Zeeuwse ondergrond bevat namelijk niet zozeer te weinig water, maar het aanwezige water is overwegend zout. Omdat zoet water iets lichter is dan zout water, drijft het als een lens op het zoute water. Het is te danken aan deze zoete regenwaterlenzen dat de wortels van gewassen zich in een zoete omgeving bevinden. In de zomer wordt de lens wat dunner vanwege verdamping, 's winters groeit hij aan door een neerslagoverschot. Als de zomerse verdunning van de regenwaterlens toeneemt, bestaat het risico dat zout tot in de wortelzone optrekt, wat op grote schaal desastreus is voor de reguliere landbouw.

Op twee manieren verergert klimaatverandering de verzilting. Ten eerste leiden warmere zomers tot meer verdamping van zoet water uit de bovenste bodemlaag en daarmee tot het optrekken van zout water vanuit diepere lagen naar het oppervlak. Er is ook een indirecte beïnvloeding. Doordat het zeewaterpeil stijgt onder invloed van klimaatverandering, stijgt het grondwater mee. Er is dus een opwaartse druk van zout water. Het gaat niet hard, maar elke centimeter zeespiegelstijging verhoogt de (zoute) kweldruk in de polder.

Kortom, verzilting kan de landbouwproductieomstandigheden in Zeeland sluipenderwijs sterk negatief beïnvloeden. Zonder actie riskeren we dat het land geleidelijk aan ongeschikt wordt voor reguliere zoete landbouw, wat voor een landbouwprovincie als Zeeland erg ingrijpend zou zijn.

Proeftuin Zoet Water

In het programma Proeftuin Zoet Water ontwikkelen we nieuwe kennis om de verziltingsbedreiging het hoofd te bieden. Het programma bestaat uit verschillende projecten die we hieronder kort de revue laten passeren.

Zoet-zoutverdeling meten

Basale kennis voor het hele zoetwaterverhaal, is de verdeling van zoet en zout water in de ondergrond. Voor agrariërs is het belangrijk die verdeling in hun percelen te kennen. Op basis daarvan kunnen zij bepalen of een investering in waterconservering kansrijk is. Tot 2017 was de kennis van de Zeeuwse zoet-zoutverdeling gebaseerd op bodemmetingen op een beperkt aantal locaties. Modelmatig werd aan de hand daarvan de verdeling in het hele gebied berekend. Naarmate een plek verder van een meetpunt aflag nam de onzekerheid over de berekende waarde toe.

De afgelopen jaren is een techniek ontwikkeld waarmee de elektrische geleidbaarheid betrouwbaar en gebiedsdekkend vanuit de lucht gemeten kan worden, waarna de gegevens gecombineerd worden met beschikbare kennis over de lithologie (GeoTOP) om een zo zuiver mogelijk zoet-zoutbeeld op te leveren. Die informatie is overigens ook voor andere doeleinden dan de landbouw van belang. Zo is dit soort informatie relevant bij natuurinrichting of bij grote ingrepen die het grondwaterprofiel kunnen beïnvloeden. Mede namens het waterschap, de ZLTO, Rijkswaterstaat, de gemeenten en Evides en met een forse cofinanciering vanuit het Deltafonds heeft de Provincie kennisinstituut Deltares opdracht gegeven de bodem vanuit de lucht te meten met de nieuwe techniek. De resultaten van deze metingen zijn te vinden op onze website.

De uitdaging van de Proeftuin Zoet Water kan in één zin worden samengevat: Behoefte en beschikbaarheid van zoet water duurzaam in balans te brengen/houden. We onderscheiden projecten gericht op het vergroten van de zoetwaterbeschikbaarheid en op het verminderen van de behoefte:

  1. Waterbeschikbaarheid vergroten. Overtollig regenwater werd/wordt in de winter doorgaans snel afgevoerd naar zee, om boeren de mogelijkheid te bieden hun akkers met trekkers te bewerken. Maar eenmaal afgevoerd was/is het zoete water weg. Als we het bewaren, is er in de zomer meer zoet water beschikbaar. Een aantrekkelijke manier om water te bewaren is het op te slaan in de ondergrond. Dit wordt onderzocht in het project GO-FRESH. Opslag in oppervlaktewater is ook een optie, als dat water van zichzelf niet te zout is. Een derde manier om het aanbod te vergroten is door water dat (net) teveel zout bevat op technische wijze te ontzilten. Dow en Evides onderzoeken deze mogelijkheid.
  2. Watervraag verminderen. De behoefte aan zoet water vermindert wanneer gewassen (of soms ook de boer) toleranter worden voor zout. Ook is het mogelijk de toediening te optimaliseren, bijvoorbeeld door druppelirrigatie of effectieve verneveling toe te passen. En er zijn meer sporen denkbaar, zoals het variëren van teelten met verschillende watervragen in de tijd waardoor de piekvraag wordt gedempt, of het toevoegen van organisch materiaal aan de bodem waardoor de vochtcapaciteit ervan toeneemt. Allemaal manieren die de vraag reduceren en dus helpen de totale balans te behouden.

Waterconservering in de ondergrond (GO-FRESH)

Water opslaan in de ondergrond, zoals hierboven genoemd, klinkt makkelijker dan het is. Er zijn twee principieel verschillende aanpakken te onderscheiden. In de ene wordt de zoetwaterlens verdikt om het zout verder weg te houden bij de wortelzone, terwijl in de andere een voorraad zoet water wordt aangelegd voor latere onttrekking.

De eerste aanpak kan in twee derde van de Zeeuwse landbouwgrond worden toegepast. Het gaat om de gebieden met veel veen en klei in de ondergrond. Het is onmogelijk in dergelijke gebieden een watervoorraad aan te leggen waaruit in droge perioden kan worden onttrokken. Wel is het mogelijk de regenwaterlenzen wat te verdikken door een aangepaste diepere drainage. In het algemeen hebben landbouwpercelen nu drainagebuizen op 1 meter diepte. Die voeren overtollig water af naar de sloten, maar in de winter is dat vaak zoet. Aldus verdwijnt het beste water. Door te draineren uit de wat diepere bodem, bijvoorbeeld 1,5 meter, wordt zouter water afgevoerd en aangevuld met het van bovenaf naar beneden zakkende regenwater. Het verschil lijkt bescheiden, maar als de regenwaterlens een paar decimeter dikker is, beperkt dat het risico op zout water in de wortelzone significant. Door de drainagebuizen uit te voeren met een draaibare uitloop kan de drainagediepte gevarieerd worden. Dat heet peilgestuurde drainage.

Ongeveer een derde van het Zeeuwse grondareaal leent zich voor de tweede aanpak. Het zijn de gebieden, zoals kreekruggen, met een flinke laag zand in de ondergrond, meestal onder een dunne kleilaag. In deze gebieden kan door infiltratie water worden opgeslagen. En dat gebeurt weer op twee manieren. De eerste methode is de zogenaamde freshmaker, waarbij zout grondwater van een diepte van 15-20 meter onder het maaiveld wordt weggezogen en er tegelijkertijd zoet water op circa 7 meter diepte wordt geïnfiltreerd. Het zoute water wordt dus simpelweg vervangen door zoet water. De tweede methode gaat uit van infiltratie van zoet water dicht onder het maaiveld. Dat zoete water drukt het zoute eronder weg. In theorie kan een centimeter peilopzet in de akkerbodem de zoet-zoutgrens dieper in de ondergrond 40 cm naar beneden duwen. De ondergrondse zoetwatervoorraad kan zo aanzienlijk worden uitgebreid, waardoor het water in droge perioden beschikbaar is voor landbouwkundige benutting. Zowel de freshmaker als de kreekruginfiltratie zijn beschreven in proefschriften die u als documenten onderaan deze pagina vindt.

Vanwege de gebleken hoge efficiëntie van de freshmakertechniek is een aanvullende verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid om deze techniek op te schalen naar een heel gebied in plaats van een enkelvoudige bedrijfsmatige voorziening. De verkenning wijst uit dat het inderdaad in theorie mogelijk is door opschaling een lagere kuubprijs te kunnen realiseren, maar de verkenning geeft evenzeer aan dat er organisatorisch hoge eisen gelden. Zeker is dat een gebiedsfreshmaker niet even eenvoudig kan worden aangelegd, maar als alle stukje net bij elkaar passen, zijn er mogelijkheden.

Milde ontzilting

Omgevingswater dat net te zout is voor toepassing kan technisch ontzilt worden, zodat het alsnog geschikt is voor gebruik. Chemisch concern Dow en Evides Waterbedrijf hebben deze techniek gezamenlijk ontwikkeld en hebben na laten gaan of er voor de voorzuivering van het omgevingswater gebruik kan worden gemaakt van natuurlijke watersystemen in de omgeving.

Deze verkenning heeft uitgewezen dat het functioneel werkbaar is, maar dat de kosten wel erg hoog zijn. Op basis van deze uitkomst wordt nu een aangepast ontwerp aangelegd om praktijkervaring op te doen met voorzuivering in de omgeving en technologische opwerking ten behoeve van de zoetwatervraag van Dow.

Gewasveredeling op zouttolerantie

Een manier om de regionale watervraag in sterk doorgespoelde polders te beperken is om de teelten minder zoutgevoelig te maken. De aardappel is een gewas dat daarbij in het oog loopt, omdat het zowel op erg grote schaal geteeld wordt, alsook relatief matig zouttolerant is ten opzichte van tarwe en suikerbieten, twee andere zeer algemene teelten. Aardappel is dus in menig gebied min of meer de limiterende teelt qua zouttolerantie. Door die tolerantie te verhogen, kan met minder doorspoelen worden volstaan, zodat de zoetwaterbehoefte van het gebied vermindert. Uiteraard bieden zouttolerantere aardappelen telers op relatief zoute gronden zonder zoetwateraanvoer de kans op een rendabeler teelt.

Op zich wordt al jaren door verschillende veredelingsbedrijven onderzoek gedaan naar zouttolerantere aardappelen. In het kader van de Proeftuin Zoet Water is nu in aanvulling op het onderzoek naar het gewas zelf (opbrengstgewicht en kwaliteit in relatie tot een opgelegd zoutregime) onderzoek gedaan naar de zoutdynamiek in de bodem. De resultaten van het gecombineerde onderzoek zullen worden gepresenteerd op de Informatiedag Proeftuin Zoet Water op 15 juni 2017.

Contact

Vincent Klap
+31 118 752120
va.klap@zeeland.nl